Interactiestatus

Het verschijnsel ‘status’

Voor de meeste mensen heeft het woord status een negatieve klank. Zeker voor mensen die in Nederland zijn opgegroeid na de tweede wereldoorlog en die de democratisering en de emancipatie hebben meegekregen. Gelijkwaardigheid is een belangrijke waarde in onze samenleving en in ons rechtssysteem.

​

Tegelijkertijd aanvaarden we bijna iedere dag van ons leven gezag van anderen: ouders, leraren, bazen, politieagenten en rechters. Daarnaast kennen we talloze informele leiders; in een groep vrienden die op stap gaat, is er altijd wel één persoon die het voortouw neemt.

Op zich hebben we hier geen moeite mee, zolang het statusverschil niet te groot wordt uitgemeten. (Volgens royaltywatchers rijdt ons koninklijk huis in ‘bescheiden’ Volvo’s, omdat opzichtige, snelle sportwagens schadelijk zouden zijn voor het imago van het vorstenhuis).

​

Statusgedrag verklaart veel van de communicatie tussen mensen. Als we weten hoe dat werkt, kunnen we daar ons voordeel mee doen.

​

Status ontlenen we aan verschillende factoren

Voor onze begripsvorming is het belangrijk om verschillende vormen van status te onderscheiden:

​

    1.    Sociale status: Iemand ontleent hier zijn overwicht aan zijn maatschappelijke positie, opleiding of afkomst. Sociale status veranderd slechts zeer langzaam, met het verstrijken der jaren.

​

    2.    Functiestatus: Hier ontleent iemand zijn status aan een specifieke functie. Van een baas aanvaarden we orders en bijsturing, omdat zijn functie dat met zich meebrengt. Functiestatus kan sneller wisselen dan sociale status: Als we een borrel gaan drinken met de directer, dan moet die ons in het café niet gaan commanderen!

​

    3.    Interactiestatus: Dit is het overwicht dat iemand heeft in een bepaald gesprek. We ontlenen onze interactiestatus aan de manier waarop we het gesprek domineren. Het verschil met de andere vormen van status is dat we hier voortdurend kunnen wisselen van rangorde. Dan weer voert de één de boventoon, dan weer de ander.

​

Status treedt altijd op in de communicatie

Overal waar mensen met elkaar communiceren, is sprake van statusverschil. Communicatie is vrijwel nooit een waardevrije overdracht van informatie. Zowel de zender als de ontvanger hebben een agenda. Ze willen elkaar overtuigen, motiveren, tot denken aanzetten, aardig gevonden worden, erkend worden, op het nummer zetten, etc.

In deze wederzijdse beïnvloeding is er altijd een impliciete rangorde: de één beïnvloedt de ander iets sterker dan omgekeerd. Soms is het statusverschil heel duidelijk en stabiel, bijvoorbeeld bij een docent en een leerling. Hier is het statusverschil vooral gebaseerd op de sociale –/functiestatus van de docent.

​

In andere situaties is de rangorde subtieler en kan ieder moment omdraaien: bijvoorbeeld bij twee collega’s waarvan de één meer ervaring heeft, maar de ander slimmer is en sneller verbanden legt. Deze verhouding wordt veel meer bepaald door de interactiestatus.

​

Iedereen kent van zijn middelbare schooltijd nog wel die leraar waar iedereen voor sidderde. Hij had een enorm gezag. We waren als de dood wanneer hij mondelinge overhoringen gaf. Hij had nooit ordeproblemen, maar we bewaren geen fijne herinneringen aan hem.

​

Heel anders was die jonge leraar die net zijn opleiding had afgerond. Hij had altijd ordeproblemen. Op één of andere manier wisten we dat we naar hem niet hoefden te luisteren. We konden rustig onze gang gaan, ongeacht wat hij ook zei of deed. Gek genoeg vonden we hem allemaal best een aardige kerel, maar hij hield het niet lang uit voor de klas.

​

Er was nog een derde categorie leraren aan te wijzen op de middelbare school: Zo’n mateloos populaire leraar. In zijn lessen heerste altijd een ontspannen sfeer. Hij had geen ordeproblemen, er werd hard gewerkt in zijn lessen en toch kon je ook met hem lachen. Hij wist altijd precies wanneer hij de touwtjes kon laten vieren en wanneer hij ze weer strakker aan moest trekken.

​

Hoge statusspelers, lage statusspelers en statusexperts

Alle drie bovengenoemde leraren hebben dezelfde functie en kunnen daaraan evenveel status ontlenen. De reden dat we zo verschillend op ze reageerden, is omdat deze mensen (vaak onbewust) een andere interactiestatus uitstraalden:

​

    1.    De eerste categorie leraren noemen we notoire hoge statusspelers: al hun non-verbale communicatie is gericht op het uitoefenen van gezag. Hun houding is hierin zo verstard, dat voor hun gevoel het kleinste grapje wordt ervaren als een inbreuk op hun gezag.

​

    2.    De tweede categorie leraren noemen we notoire lage statusspelers. Ze doen bewust hun best om gezag uit te stralen, maar hun (onbewuste) non-verbale communicatie ondermijnt iedere poging tot overwicht en maakt dat we steeds weer een loopje met ze kunnen nemen.

​

    3.    De derde categorie leraren noemen we statusexperts. Ze hebben het vermogen ontwikkeld om hun non-verbale gedrag aan te passen aan de situatie. Het ene moment lachen ze mee met de klas als ze bij de neus genomen worden, maar daarna verandert hun houding wanneer ze vinden dat de boel uit de hand loopt.

​

​

Iedereen kan een statusexpert worden

De meeste mensen ontwikkelen een voorkeur voor hoge of lage statusinteractie. De één wil steeds de boventoon voeren, terwijl de ander zijn mond houdt en luistert naar wat er gezegd wordt. Een derde houdt haar mond en denkt: ‘Mijn tijd komt nog wel, uiteindelijk ga ik mijn eigen gang'.

​

Wanneer we ons bewust worden van onze voorkeurstatus en de non-verbale signalen waarmee we die communiceren, ontwikkelen we langzamerhand het vermogen om te wisselen van hoog naar laag en andersom. We leren zo onze interactiestatus af te stemmen op onze gesprekspartner of op een groep.

Non-verbale signalen van hoge en lage status

Hoge status

Staat of zit rechtop, hoofd iets omhoog.

​

​

​

Spreekt zonder hakkelen, met veel intonatie.

​

Neemt alle tijd om te vertellen.

​

​

Maakt strak oogcontact en bepaalt zelf wanneer hij wegkijkt.

​

Heeft teveel spierspanning.

​

​

Neemt teveel ruimte in.

​

​

​

​

Lage status

Staat of zit niet helemaal recht, hoofd gebogen, oogopslag naar beneden.

​

Spreekt hakkelend, met een vlakke stem.

​

Probeert gehaast uit te leggen. Slikt soms woorden in.

​

Zoekt wel oogcontact, maar kijkt weg als de ander kijkt.

​

Zit te slap of te stijf in de stoel. Krachteloos of overspannen.

​

Neemt weinig ruimte in.

​

​

​

​

TOP

Copyright© 2019  Hans Jeths Consultancy. All rights reserved.